Wie was Walter Bresseleers?
Onder begeleiding van Inge Bertels, Lara Schrijver en Frederik Vandyck
Masterthesis 2023-2024
Mijn masterthesis verkent de grenzen van traditioneel wetenschappelijk onderzoek. Het vertrekpunt is het gefragmenteerde, deels verloren privéarchief van mijn grootvader: architect en industrieel ontwerper Walter Bresseleers. Als kleindochter zou je kunnen denken dat ik werk vanuit een bevoorrechte positie — met directe toegang tot informatie. Maar dat blijkt een illusie.
Walter Bresseleers overleed in 1980. Op het moment dat ik dit onderzoek startte, was mijn vader zijn enige nog levende naaste. Het archief van mijn grootvader verhuisde meerdere keren en werd nooit systematisch bewaard. Slechts een klein deel van zijn werk nam hij mee naar huis; de rest bleef bij het bedrijf en werd grotendeels vernietigd bij een latere verhuis.
Hoe ga je om met een archief dat niet compleet is — én met een persoonlijke band tot de persoon achter het werk?
Mijn onderzoek is tweeledig: enerzijds zoek ik naar de plaats van Walter Bresseleers binnen de architectuurgeschiedenis, anderzijds onderzoek ik hoe ik als familielid met deze vorm van archiefmateriaal kan omgaan. Tijdens mijn literatuurstudie stootte ik op Discourses, Ephemeral Sources, and Architectural History van Jessica Kelly, over het persoonlijke archief van criticus J.M. Richards. Aanvankelijk zag Kelly persoonlijke verhalen als een hindernis voor academisch onderzoek — tot ze inzag dat ze juist versterkend kunnen werken. Want een criticus, net als een architect, leeft in een lichaam, met emoties, in een wereld die hij mee vormgeeft.
Ook mijn grootvader was meer dan zijn werk. Via persoonlijke bronnen — foto's, verhalen, objecten — probeer ik te achterhalen wie hij was. Wat las hij? Wat fotografeerde hij? Wie kende hij? Zulke details helpen niet alleen zijn identiteit te reconstrueren, maar tonen ook hoe persoonlijke geschiedenis kan doorwerken in architecturale cultuur.
Mijn thesis opent zo een alternatieve blik op architectuurgeschiedenis: één waarin ruimte ontstaat voor het persoonlijke, het onvolledige en het lichamelijke. Een benadering die toelaat de menselijke invloed op de gebouwde omgeving opnieuw te bevragen — en te begrijpen.







