Sinds mijn kindertijd wist ik dat ik iets wilde doen met architectuur. Gaandeweg ontdekte ik dat architectuur veel meer omvat dan alleen bouwen. Tijdens mijn opleiding aan de Universiteit Antwerpen leerde ik hoe ontwerp en onderzoek elkaar kunnen versterken. Dat inzicht is bepalend geworden voor mijn manier van werken als architect.
Binnen de masterstudio Leerlijn Cultuur, begeleid door Inge Bertels en Frederik Vandyck, kreeg ik de kans om een project op te zetten dat zowel professioneel als persoonlijk relevant is. Ik onderzocht het gefragmenteerde en grotendeels verloren archief van mijn grootvader, architect Walter Bresseleers, die actief was als industrieel architect in het naoorlogse België. Die historische insteek was geen doel op zich, maar een middel om meer grip te krijgen op de ruimtelijke context en ontwerpkeuzes van toen — en om na te denken over hoe we vandaag met dat erfgoed omgaan.
Dat onderzoek heeft mijn blik als ontwerper verruimd. Het dwingt je om verder te kijken dan de zichtbare ruimte. Je verdiept je in context, gebruik, bouwlogica en maatschappelijke veranderingen. Wat begon als een zoektocht in een privé-archief, groeide uit tot een bredere reflectie over industriële architectuur, vergeten verhalen, en de manier waarop we bronnen lezen en interpreteren. Niet alleen archieven, maar ook foto’s, anekdotes en persoonlijke documenten werden waardevolle vertrekpunten. Zo leerde ik hoe ook minder ‘objectieve’ bronnen kunnen bijdragen aan een rijker en menselijker ontwerpverhaal.
Als architect wil ik ontwerpen die verankerd zijn in hun context — historisch, sociaal én materieel. Onderzoek vormt daarbij voor mij geen aparte fase, maar een doorlopende praktijk: van het eerste sitebezoek tot het definitieve ontwerp. Ik geloof dat elke plek zijn eigen verhaal draagt, en dat we als ontwerpers de verantwoordelijkheid hebben om dat verhaal mee vorm te geven, te respecteren of net te bevragen.
Mijn ervaring met het onderzoek naar mijn grootvader heeft me niet alleen geleerd om kritisch te kijken, maar ook om intuïtie en persoonlijke betrokkenheid toe te laten in het ontwerp- en denkproces. Die gelaagdheid — tussen bouwen en denken, tussen afstand en nabijheid — vormt voor mij de kern van een geëngageerde architectuurpraktijk. Ik wil bouwen aan ruimtelijke antwoorden die ontstaan vanuit nieuwsgierigheid, verbondenheid en een grondige kennis van wat er was én wat er zou kunnen zijn